Interoperabiliteit is op dit moment een probleem in de e-learning wereld. Michel Arnaud is de voorzitter van Université Paris X uit Frankrijk en werkt voor het CNDP. Wat volgens hem totaal uit het oog verloren wordt is het invullen van de metadatavelden: daarom is semi-automatisch invullen een doelstelling. Hij werkt samen met Editis om dit te ontwikkelen. Een idee kan zijn dat social tagging in combinatie met een mapping naar gestructureerde metadata een heel eind vooruit kan helpen.

Warwick Bailey leidt het bedrijf Icodeon die zorgt voor SCORM-codering van leermiddelen die daar nog niet mee compliant zijn. Hij geeft een korte en duidelijke introductie over SCORM. Goede auteurs(tools) beperken het gebruik van de functionaliteiten die SCORM biedt om het allemaal haalbaar te houden.

Thomas Depraetere stelt Oogie voor, de Dokeos tool om presentaties online te maken en tegelijk te zorgen voor scorm-compatibiliteit.

Wilbert Kraan van JISC CETIS geeft een overzicht van standaarden en de use cases waarin elk van die standaarden het best presteren. Het gebruik van SCORM voor ‘course augmentation’ is iets nieuws en kan een oplossing zijn voor het aanpassen van bestaande cursussen. Het is niet de bedoeling de manier van leren te veranderen. Gewoon de mensen ondersteunen waarmee en hoe ze vandaag bezig zijn. Daarvoor is IMS Common cartridge opgesteld. CETIS heeft een special interest group die zich bezighoudt met metadata.

Tore Hoel legt uit dat het zoeken naar content te maken heeft met de context waarin de gebruiker zich bevindt. De metadata weerspiegelt de kijk van de auteur op de content, maar die weerspiegelt niet altijd de context en dus de kijk van de gebruiker van de content. Voor de onderwijsminister is het curriculum de context. Tore’s team heeft het Noorse curriculum omgezet in een ontologie die in een database de LO’s verbindt met het curriculum. Die ontologie is aan het Noorse LOM-applicatieprofiel gehaakt. De vraag die hij stelt is of een een rol is weggelegd vanuit het perspectief van de leerling.

De eerste spreker zal het hebben over de vraag of de bedrijfswereld serieuze spellen au sérieux neemt. Hij begint over multitasking in WOW, als voorbeeld geeft hij dat de speler verschillende zaken tegelijk moet monitoren en beheren (gezondheid, kopen en verkopen, opdrachten, chatten, …). Ik stel me de vraag of het hier gaat over simultaniteit of over het sequentieel schakelen tussen verschillende (min of meer vergelijkbare) activiteiten.

De markt voor serieuze spellen in de VSA wordt geschat op 100mio$ (serious games institute). Dus kan het niet echt een ‘industrie’ genoemd worden. Blijkbaar worden spelconsoles helemaal niet gebruikt in corporate training. Iedereen lijkt enthousiast te zijn over virtuele werelden, maar niemand lijkt zich af te vragen welk concreet doel daarmee wil bereiken.

Hij mist de kracht van games in leren. De essentiële vaardigheden van games: competitie, uitdaging, controle - twitch, snelheid, reactie, herhaling - geheugen, feedback, beloning, winnen - strategie, samenwerking, planning. Veelal zijn games en virtuele werelden te complex om te leren hanteren dat je de doelgerichtheid om snel iets te bereiken mist. Het zou interessant zijn om gamelets met ’screencandy’ te hebben die je snel even kunt spelen en waarmee je iets concreet leert.

De tweede spreker (Michael Wagner) werkt aan de Donau Universiteit aan het departement voor toegepaste computerspellen studies. heeft het over didactisch meta-design in digitaal game based learning. Het gaat over het gebruik van commerciële games in een schoolomgeving. Een van de doelstellingen is om leerkrachten weer in contact te brengen met de leefwereld van hun leerlingen. Er is een paradox in het gebruik van games voor leren, games zijn interessant omwille van de intrinsieke motivatie en emotionele betrokkenheid van de spelers, de immersie van de speler in het spel met projectie van de identiteit van de speler, maar aan de andere kant zijn er mogelijk negatieve aspecten (agressie, verslaving, …). De positieve bijdrage van games kan vooral vanuit constructivistisch perspectief worden gevonden, maar vanuit de cognitive load theorie is het heel wat minder. Er rijzen vragen over de transfers die gebeuren vanuit de gameruimte naar de echte ruimte of realiteit. Met multiplayer games is hetzelfde aan de hand, maar je krijgt daar wel het ontstaan van ‘affiniteitsgroepen of communities of practise’. In die groepen ontstaat dan door de sociale interactie de ‘metagameruimte’ met ‘metagameregels’.

Voorbeelden van competentie en kennistransfer: efficient micromanagement, goede hand-oog coördinatie, snelle reflexen, ruimtelijke perceptie, creatief probleemoplossend vermogen. Elk goed spel kan worden omgevormd naar een goed leerspel, mits een didactisch meta-design. Goede leerspellen zijn altijd in zekere zin hybride.

De derde spreker presenteert een concrete toolkit om zelf je eigen serieus spel te ontwikkelen. Emergo is een ontwikkeling van de Open Universiteit Nederland. De spreker onderscheidt serieuze spellen van amusementsspellen. Het uitgangspunt is scenario gebaseerd leren.

De laatste spreker Paul Kearney heeft het over Movement Based Games. Stepmania en Dance Dance Revolution zij voorbeelden. Spelers doen tot vier beweging per seconde op een danspad en tot zeven bewegingen per seconde op een toetsenbord. Wat er zich afspeelt is dat de spelers bezig zijn met visueel zoeken, patroonherkenning en hercodering in de hersenen. Bij actie en adventure spellen gaat het ook over divided attention en decision processing.

Andrew noemt Jason Calacanis zijn initiatief om een zoekmachine met menselijke controle te maken: Mahalo. Volgens Keen is dat het volgende ‘big thing’. Dat is geruststellend omdat wij als uitgevers net die kwaliteitscontrole en expertise als core business hebben. Hij valt de idee dat mensen hun arbeid gratis ter beschikking stellen aan. Open source is een ideaal van wat hij libertijnse of christelijke idealisten noemt. Het werkt niet!

Internet kan groots zijn op voorwaarde dat we de mensen erachter niet uitschakelen.

Sugata Mitra voegt nog enkele opmerkingen toe aan zijn betoog. Het gaat niet om technologie, maar om interactie (in dit geval van kinderen) tussen mensen die een gemeenschappelijke interesse hebben. In zelforganiserende systemen is er geen voorspellend element aanwezig. Het internet is zo’n systeem waar dingen ontstaan en uitsterven. Google zegt van zichzelf dat het het brein van het internet is. Dat kan waar zijn maar evengoed niet.

Met betrekking tot de curator zegt Mitra het volgende: als we een curator voor het internet nodig hebben, dan hebben we er ook één nodig voor de aarde. We zijn onnozel om te denken dat we hier voor een tijdje zijn en dat we onszelf als

Keen reageert ivm de opmerking van Mitra over Skype, dat het gekocht is door e-Bay en het is een grote flop geworden. Skype als gratis telefonieservice is geflopt omdat het nog steeds geen coherent businessmodel heeft. Second Life heeft wel een manier gevonden om geld te halen uit hun aanbod.

Het internet is een anarchistisch model, daarom zijn er gevaren aan verbonden. Parallel is de gedachte waarom in de geschiedenis wetten zijn ontstaan, waarom afspraken en regels nodig werden geacht. Het internet wordt door velen bekeken als een plaats waar je kunt komen pakken en er niet voor moet ‘betalen’. Wat er nodig is is een verklaring van de rechten én verantwoordelijkheden voor de internetgebruiker. Anonimiteit op het internet moet verdwijnen in democratische samenlevingen (waar je niet omwille van je opinie kunt worden opgesloten of vervolgd). Dat moet niet gebeuren door wetten vanuit de overheid, maar door de mensen zelf. Laat weten wie je bent, wat je achtergrond is.

Daar staat tegenover dat anonimiteit ook beschermend kan zijn, voor kinderen, voor mensen die persoonlijke problemen of vragen willen bespreken zonder dat (on)bekenden hen kunnen identificeren. Wat het internet mist is de mogelijkheid om te ‘vergeten’. Bovendien is er de uitdaging om om te gaan met privacy.

Er volgt een discussie over waarde-oordelen tav media en wat ze aan informatie publiceren. Mediageletterdheid is belangrijk en je kunt vergelijken en proberen te achterhalen wat er mogelijk gebeurd is. Er zullen altijd keuzes gemaakt worden door journalisten over wat ze wel en wat ze niet publiceren. Het probleem met het web 2.0 is dat iedereen maar kan roepen wat hij wil zonder er zelf aansprakelijk voor te zijn. Mitra zegt dat we kinderen ‘outdoctrination’ moeten onderwijzen ipv hen te indoctrineren. Het is volgens Keen wel gevaarlijk dat ‘de kinderen’ het zelf moeten uitzoeken. In web 2.0 wordt het oordeel over goed en kwaad overgelaten aan de ‘wisdom of the crowd’. Maar dat is niet te vertrouwen! Er moet volgens Keen altijd een ‘autoriteit’ zijn die het leren van de kinderen in het oog houdt.

Een taalschool gebruikt de tool ning om een beschermd sociaal netwerk te vormen waarbinnen leerlingen gemodereerd kunnen oefenen.

De discussie komt neer op vragen voor filosofen: wat is de zin van internet en is het goed of kwaad? Moet er een moderator zijn? Zijn er wetten nodig?

Eerste spreker heeft het over onderzoek in het VK mbt de bruikbaarheid van LOR’s. Enkele links naar projecten in dit verband: Jorum, Didet, Resources

Een goeie metafoor zou kunnen zijn dat je moet zorgen voor een goede kennisstroom (knowledge flow).

De tweede spreker heeft het over een project mbt het delen van IMS learning design sjablonen. Detailinformatie. Om de aard en kwaliteit van de LO’s te beoordelen wordt gebruik gemaakt van de LOAM mapping tool. Interessant om te zien in welke mate een LO moet voldoen aan een set van criteria. Welke set vinden onze klanten relevant?

De derde spreker heeft het over het EDRENE netwerk dat als doel heeft om de kloof tussen ontwikkelaars en gebruikers van LO’s te dichten. Ze organiseren regelmatig strategische workshops en expert meetings.

De vierde spreker heeft het over Open LO’s en Open LOR’s. Het SLOOP project klinkt opnieuw als de zoveelste poging om het idee “gratis” te promoten. Hij meent dat het feit dat uitgeverijen LO’s kant-en-klaar maken voor leerkrachten om te gebruiken een probleem is. Het is een kritische succesfactor dat LOR’s een open benadering hebben volgens de spreker. LO’s zouden aanpasbaar moeten zijn door de gebruikers zodat ze ze meer op maat van hun context kunnen maken. T.a.v. metadata betekent het dat die ook dynamisch moet zijn (aangepast worden bij elke nieuwe versie van een LO). Het project heeft een site opgezet ivm freeloms. Misschien zou dat een brug kunnen zijn voor de distributie van linked packages. Er is bijvoorbeeld een directe link vanuit Moodle met Freeloms. Open issues zijn duurzaamheid (één MIT open course kost 52K dollars zonder onderhoud) dus wie gaat dat blijven betalen, copyright en nog iets wat ik gemist heb.

De laatste spreker geeft toelichting over MITE. Met sponsoring en door het in licentie geven van kwaliteitsvolle LO’s aan commerciële uitgeverijen hebben ze het NROC opgezet en als zijspoor de site Hippocampus. Een belangrijke voorwaarde voor succes is het opzetten van een community voor samenwerking (social authoring). Leerkrachten hebben te weinig tijd om op hun eentje kwaliteitsvol materiaal te maken. De oplossing was dus samenwerking, maar wel gestuurd door gedeelde richtlijnen die een sterke basis hebben in  onderwijskundige modellen. Ze werken helemaal als een commerciële uitgever, met 9 mensen! Er zijn 1000′en objecten verdeeld over 27 vakken momenteel. Het budget van 1mio dollar volstaat om alles te coveren. Het succes van samenwerking hangt samen met goede moderatie van die samenwerking (managed collaboration): het stellen van regels en het ‘bewaken’ van de kwaliteit. Je krijgt een potentieel interessante situatie als je managed collaboration koppelt aan open content.

Andrew Keen is de volgende ‘goeroe’ die als controversieel wordt aangekondigd. Hij heeft een boek geschreven over de gevaren van internet en meerbepaald hoe internet het verstand doodt. De waarschuwing die hij wil uitspreken is ten aanzien van de ideeën die achter het web 2.0 zitten. Hij begint met het schofferen van de Google-jongens en zegt (roept!) dat hun enige geniale idee was om de gebruikers de kennis te laten aanleveren. Wikipedia is het beste voorbeeld van de controle van de massa en de uitschakeling van de ‘dure’ experten. Iedereen is een expert, er is niemand die bepaalt wat meer waard is om gepubliceerd te worden. Keen noemt het de democratisering van de idiotie. ‘The monkeys are running the show’

Hij gaat akkoord met Mitra dat kinderen zich zelfstandig de werking van technologie kunnen eigen maken, maar zij weten niet te onderscheiden wat er waar is en wat niet. Als ze op een site terechtkomen die er heel betrouwbaar uitziet maar volledig vol onzin staat dan kunnen ze daar geen kritische houding tegenover aannemen. De uitdaging is om mediageletterdheid te onderwijzen. Een kritische houding tegenover informatie is van levensbelang. Het is niet omdat er op wikipedia een ellenlange bijdrage over Pamela Anderson staat dat zij een historische figuur is zoals Marie Curie, Jeanne d’Arc …

Internet vandaag is gevaarlijk, maar wie zal de regeltjes opstellen???

Prof. Sugata Mitra is de eerste topspreker die ons komt vertellen over enkele experimenten die hij in India heeft uitgevoerd.

Een eerste experiment bracht de hypothese voort dat kinderen zichzelf kunnen leren browsen zonder enige voorkennis of instructie. Hij plaatste een computer met beeldscherm in een muur en naast het scherm een touchpad waarmee de computer kon bediend worden. Voorwaarden waren dat de computer in de publieke ruimte staat die kinderen associeren met vrije tijd en spelen. In ruraal India lukte het zelfs dat kinderen zichzelf Engels leerden, omdat dat nodig was om de computer beter te kunnen bedienen.

Hij ging zelfs zo ver om uit te zoeken of Tamilsprekende kinderen zichzelf met behulp van de computer biotechnologie konden leren (in het Engels). Belangrijkste element is motivatie, eens goed getriggerd kunnen kinderen heel veel bereiken. De vraag die hij nu stelt is of kinderen in staat zijn om hun basisvorming zelfstandig af te werken? We hebben al zo lang gefaald om kinderen op te leiden, daarom is het misschien nu tijd om hen de kans te geven zichzelf op te leiden …

Vandaag vertrekken we naar Berlijn voor de Online Educa. Ik kijk uit naar heel wat boeiende ontmoetingen en hoop op enkele topsprekers met een realistisch en coherent verhaal. Tussendoor wil ik proberen een bezoekje te brengen aan het Bauhaus Archiv.

We zijn weer vertrokken!

Dat is de titel van de themasessie die ik wil volgen.

In Nederland verzamelen docenten van hogescholen ideeën ivm digitale didactiek op een site.

Het eerste interessante idee wat ik hoor is dat we in verband met het ontwikkelen van leermiddelen niet mogen handelen als een dinosaurus. Raadsel? Dino’s waren extreem goed aangepast aan hun omgeving maar toen de omgeving wijzigde verdwenen de dino’s. Zo goed waren ze aangepast. Je moet er dus voor zorgen dat je je niet richt op de omgeving waarbinnen je leerobject draait want die omgeving wijzigt zo snel dat voor je het weet jouw leerobject onbruikbaar is geworden: volg dus standaarden.  Succesvolle omgevingen zullen zich aan die standaarden conformeren.

Het Belgian Network for Open and Distance Learning heeft twee interessante gidsen gepubliceerd over:

  • Van leren naar e-leren
  • Van leerinhoud naar e-leerinhoud

Deze namiddag volg ik een studiedag van het expertisecentrum afstandsleren aan de Katho Tielt. Een mooigevulde zaal luistert momenteel naar de algemene inleiding. De keynotespreker Martin Valcke wordt helaas vervangen door z’n collega Bram De Wever, maar hopelijk zal de inhoud van de keynote daarom niet minder interessant worden.

Het succesvol inzetten van ICT in het leerproces is afhankelijk van vele voorwaarden. Kritische succesfactoren worden opgesomd bij wijze van praktijkvoorbeelden uit het hoger onderwijs (medische opleidingen) die als onderzoeksonderwerp hebben gediend voor Valcke & De Wever. Ultieme bewijzen kunnen niet geleverd worden omwille van de grote diversiteit van parameters waarvan de invloed niet nauwkeurig kan gemeten worden.

V&DW zijn vertrokken van een visie op leren en instructie (mesoniveau - microniveau met opsplitsing van informatie en communicatie).

Voor het onderzoek van de informatiecomponent wordt de CMT van Mayer in een schema van presenteren - verwerken - integreren gegoten. Voor elk van die aspecten worden ‘bewijzen’ aangereikt … niets onbekends en vooral het inbedden van ICT in een ruimere instructiesetting ondersteunt onze keuze voor methodegebonden ICT. Mbt integratie worden vooral simulaties als efficiënt geëvalueerd maar niet zozeer qua leerresultaat dan wel op vlak van tijdswinst en minder inzet van f2f.

 De communicatiecomponent wordt opgesplitst in communicatie tussen leerkracht en leerling en communicatie tussen leerlingen onderling (samenwerkend leren of COCL - computer ondersteund collaboratief leren). Communicatie tussen ouders en leerkrachten/instelling werd niet onderzocht (minder relevant in hoger onderwijs).

 Voordelen van ICT op het mesoniveau situeren zich op vlak van:

  • flexibiliteit (afh. van context en doelpubliek)
  • curriculum (ICT-vaardigheid is a must have)
  • repositories (OAI etc. - weinig onderzoek wel grote verwachtingen)

Vanavond hebben we een volledige maansverduistering kunnen zien.

Met de nieuwe camera (Canon EOS 400D) die ik kocht om de geboorte van ons kindje volgende maand (ook bij volle maan) te fotograferen, heb ik de volgende foto vastgelegd.

Prachtig zicht!

Next Page »