29 november 2007
Andrew noemt Jason Calacanis zijn initiatief om een zoekmachine met menselijke controle te maken: Mahalo. Volgens Keen is dat het volgende ‘big thing’. Dat is geruststellend omdat wij als uitgevers net die kwaliteitscontrole en expertise als core business hebben. Hij valt de idee dat mensen hun arbeid gratis ter beschikking stellen aan. Open source is een ideaal van wat hij libertijnse of christelijke idealisten noemt. Het werkt niet!
Internet kan groots zijn op voorwaarde dat we de mensen erachter niet uitschakelen.
Sugata Mitra voegt nog enkele opmerkingen toe aan zijn betoog. Het gaat niet om technologie, maar om interactie (in dit geval van kinderen) tussen mensen die een gemeenschappelijke interesse hebben. In zelforganiserende systemen is er geen voorspellend element aanwezig. Het internet is zo’n systeem waar dingen ontstaan en uitsterven. Google zegt van zichzelf dat het het brein van het internet is. Dat kan waar zijn maar evengoed niet.
Met betrekking tot de curator zegt Mitra het volgende: als we een curator voor het internet nodig hebben, dan hebben we er ook één nodig voor de aarde. We zijn onnozel om te denken dat we hier voor een tijdje zijn en dat we onszelf als
Keen reageert ivm de opmerking van Mitra over Skype, dat het gekocht is door e-Bay en het is een grote flop geworden. Skype als gratis telefonieservice is geflopt omdat het nog steeds geen coherent businessmodel heeft. Second Life heeft wel een manier gevonden om geld te halen uit hun aanbod.
Het internet is een anarchistisch model, daarom zijn er gevaren aan verbonden. Parallel is de gedachte waarom in de geschiedenis wetten zijn ontstaan, waarom afspraken en regels nodig werden geacht. Het internet wordt door velen bekeken als een plaats waar je kunt komen pakken en er niet voor moet ‘betalen’. Wat er nodig is is een verklaring van de rechten én verantwoordelijkheden voor de internetgebruiker. Anonimiteit op het internet moet verdwijnen in democratische samenlevingen (waar je niet omwille van je opinie kunt worden opgesloten of vervolgd). Dat moet niet gebeuren door wetten vanuit de overheid, maar door de mensen zelf. Laat weten wie je bent, wat je achtergrond is.
Daar staat tegenover dat anonimiteit ook beschermend kan zijn, voor kinderen, voor mensen die persoonlijke problemen of vragen willen bespreken zonder dat (on)bekenden hen kunnen identificeren. Wat het internet mist is de mogelijkheid om te ‘vergeten’. Bovendien is er de uitdaging om om te gaan met privacy.
Er volgt een discussie over waarde-oordelen tav media en wat ze aan informatie publiceren. Mediageletterdheid is belangrijk en je kunt vergelijken en proberen te achterhalen wat er mogelijk gebeurd is. Er zullen altijd keuzes gemaakt worden door journalisten over wat ze wel en wat ze niet publiceren. Het probleem met het web 2.0 is dat iedereen maar kan roepen wat hij wil zonder er zelf aansprakelijk voor te zijn. Mitra zegt dat we kinderen ‘outdoctrination’ moeten onderwijzen ipv hen te indoctrineren. Het is volgens Keen wel gevaarlijk dat ‘de kinderen’ het zelf moeten uitzoeken. In web 2.0 wordt het oordeel over goed en kwaad overgelaten aan de ‘wisdom of the crowd’. Maar dat is niet te vertrouwen! Er moet volgens Keen altijd een ‘autoriteit’ zijn die het leren van de kinderen in het oog houdt.
Een taalschool gebruikt de tool ning om een beschermd sociaal netwerk te vormen waarbinnen leerlingen gemodereerd kunnen oefenen.
De discussie komt neer op vragen voor filosofen: wat is de zin van internet en is het goed of kwaad? Moet er een moderator zijn? Zijn er wetten nodig?